Alles over Alblasserdam...

Column

Hoe zit het nu echt: ‘Staat Oud-Alblas of staat Alblasserdam op de Peutingerkaart uit de 13e eeuw?’ (maandag 5 september 2016)

Afbeelding bij Column: Hoe zit het nu echt: ‘Staat Oud-Alblas of staat Alblasserdam op de Peutingerkaart uit de 13e eeuw?’

Op het internet kwam ik een mij onbekend fenomeen tegen. De zogenaamde ‘Peutingerkaart’ uit de 13e eeuw. Wat is een ‘Peutingerkaart’ vroeg ik me af? En uit de 13e eeuw….. Nu hebben oude kaarten me altijd al gefascineerd, dus heel geinteresseerd ging ik eens verder zoeken, en deze speurtocht werd steeds leuker, want ik ontdekte dat misschien Alblasserdam ook al op deze oude kaart werd vermeld. Of was het toch Oud-Alblas? Laat ik u maar eens deelgenoot maken van mijn speurtocht naar Alblasserdam of Oud-Alblas op deze ‘Peutingerkaart.’

Allereerst gaan we even kijken naar de herkomst van deze bijzondere kaart. De ‘Tabula Peutingeriana’ of ‘Peutinger kaart’ is niet een originele kaart uit de dertiende eeuw, maar een dertiende eeuwse kopie van een Romeinse reiskaart uit de 3e tot 4e eeuw na Christus. Op de kaart staat een gebied van Groot-Brittannië, Spanje en Noord-Afrika in het westen, tot de rivier de Ganges in het oosten. En daar zou Alblasserdam of Oud-Alblas op staan……, dat kan toch niet.

De oudste bekende kopie van die Romeinse reiskaart uit de derde of vierde eeuw na Christus, is een handschrift uit de 13e eeuw, dat nu bewaard wordt in de Oostenrijkse Nationale Bibliotheek in Wenen. Het is deze kopie, die de naam gaf aan de kaart. Vervaardigd door een monnik uit Colmar werd de kaart uit een bibliotheek in Zuid-Duitsland opgeduikeld door een zekere Conrad Celtis, die het document in 1507 naliet aan de humanist Konrad Peutinger uit Augsburg. Vandaar dus de naam.

De ‘Tabula Peutingeriana’ is een rol perkament, samengesteld uit 12 bladen van ongeveer 38 cm hoog, elk 59 tot 65 cm lang, met een totale lengte van 6,82 m. Het eerste blad, met daarop het Iberisch Schiereiland en de Britse eilanden is helaas in de loop der eeuwen verloren gegaan, waardoor er nog maar 11 bladen resteren. Het spreekt vanzelf dat de kaart niet oppervlakte-getrouw is. Het is meer een schematische voorstelling van het wegennet en de etappeplaatsen in het Romeinse Rijk uit de derde en vierde eeuw na Christus.

Over het grootste deel van de kaart werden ook de afstanden van de etappes aangegeven, deels in Romeinse mijlen (milia passuum), en voor het Gallische deel in leugae (ongeveer 1,5 Romeinse mijl). Het lijdt geen twijfel dat dit een gevolg is van het feit dat de oorspronkelijke kaart verschillende bronnen had. In de tijd van vervaardiging circuleerden er immers ook al verschillende reisroutes van hier naar ginder in lijstvorm. Een grote verzameling daarvan was het zogenaamde ‘Itinerarium Antonini,’ dat niet minder dan 3500 etappeplaatsen met onderlinge afstanden vermeldt. In ieder geval werd het niet bewaarde exemplaar, waarnaar de Tabula Peutingeriana gekopieerd werd, nog bijgewerkt met nieuwe wegen en plaatsen tot omstreeks 400 na Christus.

Na de dood van Konrad Peutinger, kreeg de cartograaf Abraham Ortelius de vraag om de kaart in druk uit te geven. Hij stierf echter voor hij het werk afhad, maar een half jaar later had Jan Moretus deze klus wel geklaard, en begin 1599 drukte de uitgeverij Plantijn te Antwerpen er 250 exemplaren van, op halve grootte en verdeeld over 8 drukplaten. Later volgden nog verschillende uitgaven met dezelfde, maar ook met nieuwe drukplaten. Dit noemt men ‘interpretaties,’ omdat steeds opnieuw het oorspronkelijke handschrift gelezen en verklaard moest worden. Tegenwoordig werkt men enkel nog met fotografische duplicaten, zodat de kwetsbare originele kaart niet meer geraadpleegd hoeft te worden. Evengoed is het niet makkelijk de vermelde Romeinse namen aan hedendaagse steden te koppelen, wat nog steeds aanleiding geeft tot nieuwe steeds weer nieuwe interpretaties van de namen op de ‘Peutinger Kaart.’

In 1616 gaf ook cartograaf Petrus Bertius zijn versie van de ‘Tabula Peutingeriana’ uit in zijn werk ‘Commentariorum Rerum Germanicarum.’ Ook Bertius gaf in zijn commentaar hierin een interpretatie van enige vermelde Romeinse namen. Dit werk, zowel kaarten als beschrijvingen, zijn hede ten dage online te raadplegen, op de website van de Universiteit van Mannheim.

De tegenwoordig meestgebruikte kopie van de ‘Peutinger Kaart’ is de facsimile van Konrad Miller uit 1887. Miller produceerde een volledige kopie in kleur, op twee derde van het originele formaat. Hij heeft daarbij van het ontbrekende eerste blad, een hypothetische reconstructie gemaakt, waardoor ook Spanje, Portugal en Engeland weer op de kaart staan. De gehele kopie van Miller is online te raadplegen op de website ‘Bibliotheca Augustana.’

Na deze lange inleiding over de ontstaansgeschiedenis van deze ‘Peutinger Kaart’ gaan we eens naar de vermeldingen over het latere Nederlandse grondgebied op deze kaart kijken. Het Nederlandse deel van de ‘Peutinger Kaart telt slechts twintig plaatsnamen, maar met de boeken en artikelen die daarover geschreven zijn, kan men een aanzienlijke bibiotheek vullen. De ‘Peutinger Kaart’ is in wezen een zogenaamd ‘itinerarium’ (reisgids of reisboek), die zich laat vergelijken met bestaande ‘itineraria’ en mijlstenen uit dezelfde tijd, waaruit de ‘Peutinger Kaart’ stamt, namelijk de 4de eeuw na Christus. Het lag dan ook voor de hand om een parallel met die ‘itineraria’ te trekken, vooral omdat de destijds bestaande ‘itineraria’ en afstandenlijstjes de bouwstenen van de ‘Peutinger Kaart’ zijn geweest. Dit leidde tot conclusies met betrekking tot de maatvoering en de afstandsberekening, die afwijken van de gangbare praktijk, waarin de ‘Peutinger Kaart’ behandeld wordt, als ware het een samengedrukte landkaart.

Op de ‘Peutinger Kaart’ vinden we in het gebied waar heden ten dage de Alblasserwaard gesitueerd is, een aanduiding van een plaats, een plaats met de naam Tablis, en dit is de naam waar het allemaal om gaat. Tablis of Tablae was een Romeinse nederzetting in de provincie Neder-Germanië (Germania Inferior) aan de heerweg van Noviomagus (Nijmegen) naar Lugdunum Batavorum (Katwijk-Brittenburg). De plaats staat vermeld op de ‘Peutinger Kaart’ tussen Caspingium (hoogstwaarschijnlijk het hedendaagse Asperen) en Flenium (Vlaardingen).
De ‘Peutinger Kaart’ geeft dus naar alle waarschijnlijkheid de situatie weer, zoals die in de vroege 3e eeuw na Christus was, toen er een heerweg liep vanaf Nijmegen, hoofdstad van de civitas Batavorum (het stamgebied der Bataven) naar Forum Hadriani, de hoofdstad van de Cananefaatse civitas, en vandaar naar de meest westelijke nederzetting aan de Rijn, Lugdunum Batavorum. Deze heerweg volgde grotendeels de loop van de rivieren de Waal en Maas, die op de ‘Peutinger Kaart’ als één rivier worden weergegeven, met de naam Patabus (een verschrijving van Batavus). Tablis was een van de pleisterplaatsen langs deze weg, op een afstand van ongeveer 12 Gallische mijl (ca. 26,5 km) van Caspingium en 18 (ca. 40 km) vanaf Flenium. Mogelijk was Tablis een baanpost (statio): een officiële Romeinse halteplaats, waar koeriers of reizigers konden eten, baden, overnachten en er van paard kon worden gewisseld.

Naast de vermelding op de ‘Peutinger Kaart’ zijn er nooit concrete archeologische of historische aanwijzingen gevonden voor de locatie van Tablis. Het heeft echter niet ontbroken aan speculaties. De 18e-eeuwse Franse cartograaf Jean Baptiste Bourguignon d'Anville plaatste Tablis in het huidige Oud-Alblas, dit op grond van de overeenkomst in de naam. In Oud-Alblas zijn inderdaad sporen van Romeinse bewoning aangetroffen, alsmede ook mogelijke resten van een Romeinse weg.

Een heel erg alternatieve hypothese is echter dat Tablis gelegen was, in de buurt van Mijnsherenland. Deze theorie is vooral gebaseerd op de veronderstelling dat Caspingium, dat door Bourguignon d'Anville in Asperen werd geplaatst, dicht bij de Maas moet hebben gelegen, mogelijk in de huidige Biesbosch. Doorredenerend vanaf deze locatie, zou Tablis dan ook zuidelijker moeten hebben gelegen, op de samenvloeiing van Striene (mogelijk een oude tak van de Schelde) en Maas.

Opvallend is echter dat de afstand op de ‘Peutinger Kaart’ niet overeenkomt met de afstand tussen Vlaardingen en hetzij Oud-Alblas, dan wel Mijnsheerenland. De enige plaats die dan nog in aanmerking lijkt te komen is Alblasserdam. Ook hier is een in de afgelopen jaren Romeinse nederzetting aangetroffen.

In de Romeinse tijd vermoedt men dat er een zogenaamde baanpost (statio), genaamd Tablis in de buurt van Oud-Alblas heeft gelegen. Tablis staat op de ‘Peutinger Kaart’ (Tabula Peutingeriana) vermeld als gelegen tussen Flenium (Vlaardingen) en Caspingium (Asperen) aan de zuidelijke heerweg Noviomagus (Nijmegen) - Lugdunum Batavorum (Katwijk-Brittenburg). Er zijn helaas niet veel overblijfselen van de nederzetting Tablis aangetroffen. Wel heeft men in dit gebied resten van de heerweg gevonden.

De Lage Landen werden in de Romeinse tijd doorkruist door een vijftal zogenaamde heirbanen, die zich uitstrekten tussen de Noordzee en de limes (dat is de grens van het Romeinse Rijk) aan de Rijn. Daarnaast zijn, op basis van Romeinse sites die ver van deze heirbanen verwijderd zijn, talrijke andere heirbanen, of niet-verharde wegen voorgesteld.

Omdat deze heirbanen gebruikt bleven tot in de 19e eeuw, is het traject van deze 2.000 jaar oude wegen nog steeds goed te volgen. Op sommige plaatsen zijn de wegen zelfs opgenomen in wandel- en fietsroutes; in Nijmegen bijvoorbeeld worden ze aangegeven door bordjes van de VVV.

Langs deze Romeinse wegen werden veel halteplaatsen (stationes) gesticht en ontstonden ook vaak gehuchten (vici), waardoor er wel eens sporen van Romeinse villa's en grafheuvels worden gevonden in de nabijheid van heirbanen. Op sommige plaatsen werd ook de heirbaan zelf blootgelegd, o.a. in Maastricht (meer bepaald in de wijk Belfort), Voerendaal en Valkenburg in Zuid-Holland. Ook in het stratenpatroon van sommige plaatsen en steden vallen de wegen soms op.

De limes (Latijn voor 'grens') is de aanduiding van de grens van het toenmalige Romeinse Rijk. Deze liep van de Noordzee, langs de Rijn en Donau, naar de Zwarte Zee. Meer naar het oosten volgde de limes de rivier de Eufraat (vanaf de tijd van keizer Septimius Severus was dit de rivier de Tigris); in het zuiden vormde de Sahara een natuurlijke grens tegen invallen.

Het Latijnse woord ‘limes’ is van oorsprong een landmetersterm en betekende aanvankelijk ‘grenspad’, bijvoorbeeld tussen twee akkers of wijngaarden. Later kwam daar de betekenis van ‘weg’ bij. De betekenis van ‘grensweg’ (in de zin van een geplaveide weg langs forten) werd pas in de vierde eeuw gebruikt in de specifieke, militaire betekenis van grens tussen het Romeinse Rijk en de niet-onderworpen gebieden. In de negentiende eeuw werd dankzij Duitse archeologen de term limes, het vaste begrip voor de versterkte grens van het Romeinse Rijk.

De ‘limes Germanicus’ is ontstaan toen de Romeinen in 47 na Chr. definitief van de verovering van Germania afzagen. Belangrijk daarbij was de zogenaamde Varusslag in 9 na Christus in het Teutoburgerwoud, waarbij drie Romeinse legioenen in een hinderlaag liepen en door de Germanen werden afgeslacht. Op bevel van keizer Claudius I trokken de Romeinen zich terug achter de rivier de Rijn, die zo de grens werd. Daarbij speelde ook een rol dat bevoorrading van de legioenen via de Rijn aanzienlijk eenvoudiger was, vanuit het centrum van het Rijk, dan via de Elbe.

De limes was niet alleen bedoeld om het gebied aan de overzijde van de rivier te beheersen en vijandelijke invallen onmogelijk te maken of te bestrijden. De militaire voorzieningen waren ook en vooral bedoeld, om controle uit te oefenen over de Rijn als belangrijkste verbinding tussen het Duitse Rijnland en Brittannië. En dan komt ook het Nederlandse grondgebied weer om de hoek kijken, maar duidelijke vermeldingen van de nederzetting Tablis zijn in deze tijd rondom het begin van de jaartelling, nog niet te vinden……..

Laten we nog eens even een betere blik op de Romeinen in het gebied van het huidige Nederland werpen, en wel zo net na het begin van onze jaartelling. Bij de Bataafse Opstand van 69-70 na Christus, werden veel Romeinse forten in brand gestoken. Na de opstand zijn ze weer opgebouwd. Een volgende bouwfase lijkt rond 200 te hebben plaatsgevonden, toen de versterkingen werden herbouwd uit steen. Verwoestingslagen suggereren dat de limes op ons grondgebied, rond 240 is bezweken, werd hersteld, en opnieuw bezweek rond 258. Dat wordt gewoonlijk geassocieerd met een ook uit geschreven bronnen bekende Frankische inval. De Bataafse keizer Postumus herstelde de grens, die definitief bezweek, toen Aurelianus in 274 het Gallische keizerrijk liquideerde. De Romeinse aanwezigheid in de vierde eeuw in onze streken had toen een totaal ander karakter gekregen.

De namen van een aantal castella uit deze tijd (met hun afstanden) zijn overgeleverd op de ‘Peutinger Kaart’ en het ‘Itinerarium Antonini’. In Nederland liep de limes langs wat nu de Oude Rijn, de Kromme Rijn en de Nederrijn is, van Lugdunum (Katwijk) naar Duitsland. Langs deze grens liep de limesweg, die ook wel de limes wordt genoemd. Hij verbond de vele castella die langs de grens waren opgericht met elkaar. Archeologisch onderzoek maakt duidelijk dat in de tijd van de keizers Traianus en Hadrianus fors is geïnvesteerd in de uitbouw en het onderhoud van deze weg.

De limes werd gevormd door een gordel van verdedigingstorens, gestandaardiseerde kampen voor hulptroepen (castella) en legioenbases (castra), zoals Xanten (Castra Vetera), Neuss (Novaesium) en Nijmegen (Ulpia Noviomagus Batavorum). De versterkingslijn door het Odenwald en Zwarte Woud (de Germaans-Raetische limes) was daarentegen van hout, al werd het oostelijk deel later met steen herbouwd.

Het eerste contact tussen de Romeinen en toenmalige bevolking van West-Europa, vond plaats rond 58 v.Chr. toen Julius Caesar proconsul werd van de Romeinse provincie Gallia en hij van de Romeinse senaat de opdracht kreeg, dit hele gebied te onderwerpen. Dit contact leidde tot vele oorlogen, waardoor er allerlei verschuivingen plaatsvonden in de lokale machtsverhoudingen. In deze periode trokken ook nieuwkomers als de Bataven en de Cananefaten langs de grote rivieren Nederland binnen. Caesar probeerde 'vredesverdragen' af te sluiten met de inheemse stammen, maar met name de Eburonen, woonachtig in de huidige Kempen, Nederlands-Limburg en Belgisch-Limburg en langs de Roer tot aan de Rijn, en de Menapii verzetten zich hiertegen. Ze wisten de Romeinen een paar gevoelige nederlagen toe te brengen. Als vergelding liet Caesar hen grotendeels uitroeien en nodigde Germanen uit de omgeving van de Rijn uit, om hun woongebieden opnieuw te bevolken. Maar in 44 v.Chr. werd Caesar vermoord, en er brak een burgeroorlog uit tussen de opvolgers in Rome die de volgende 30 jaar de aandacht voor de verre noordgrenzen verminderde. Lange tijd werden de Nederlandse streken door de Romeinen weer aan hun lot over gelaten.

In 12 v.Chr. keerden de Romeinen terug toen Caesars uiteindelijke opvolger Gaius Octavianus (beter bekend als Keizer Augustus) zijn macht in Rome voldoende had geconsolideerd. Heel het gebied van het huidige Frankrijk, België en Nederland bezuiden de Rijn werd ingelijfd en ingericht als uitvalsbasis voor grootscheepse campagnes in het noorden van het huidige Duitsland, dat men tot aan de Elbe wilde veroveren.
Hiervoor werden onder meer grote legioenskampen gebouwd (o.a. de grote castra op de Hunerberg in 19 v.Chr.) en werden er havenwerken aangelegd. Deze politiek kwam aan het wankelen nadat in het jaar 9 de Germaanse aanvoerder Arminius in de slag bij het Teutoburgerwoud drie Romeinse legioenen onder leiding van Varus had verslagen. (vandaar de naam Varusslag)

In 28 n.Chr. komen de Frisii in opstand. Aangezien het westelijke gedeelte van de limes (aan de monding van Rijn) in die tijd nog maar een paar forten kende Flevum, Meinerswijk en Ulpia Noviomagus Batavorum (het huidige Nijmegen), in vergelijking met de negen in Duitsland, kan men ervan uitgaan, dat het westelijk gedeelte als grotendeels gepacificeerd werd beschouwd. Dit blijkt ook uit de hulptroepen die in allerijl uit het gebied van de Bovenrijn moesten worden gehaald. De paniek die deze opstand teweegbracht, wordt treffend geïllustreerd door een muntschat in Nijmegen die in deze periode is begraven.

In 47 n.Chr. komt het nogmaals tot een conflict, ditmaal omdat de Frisii met boten naar het zuiden trokken en daar weidegrond bezetten, dat gereserveerd was voor gebruik door de legioenen. Ze worden door Corbulo teruggedreven, die ze wetten, een senaat en magistraten oplegde. Corbulo stond op het punt een grootscheepse aanval op de Chauken te beginnen, maar Keizer Claudius verbood hem kort en goed alle verdere acties aan de noordkant van de Rijn, dit in verband met de aanstaande Romeinse invasie van Britannia. Het resultaat was dat de Romeinen zich definitief terugtrokken achter de toenmalige loop van de Rijn, met als gevolg dat de zwaar versterkte grenslinie, de limes dwars door Nederland kwam te lopen. Corbulo liet achter de linies een binnenlandse verbinding graven tussen de Maasmond en de Rijnmond: het kanaal van Corbulo. Noord-Nederland bleef vrij van Romeinse bezetting, maar de Romeinse invloed zou zich ook daar nog lang doen gelden.

Tot voor kort werd de inrichting van de limes met onder meer de forten in het huidige Nederland rond het jaar 47 n.Chr. geplaatst en gezien als een statische grens. Naar aanleiding van recente onderzoeken door archeologen vermoedt men, dat de inrichting mogelijk enkele jaren eerder heeft plaatsgevonden in verband met plannen voor een Romeinse invasie van Britannia in 43 na Christus en de limes meer gezien daarin dient te worden, als een goed bewaakte militaire transportroute.

De Bataafse Opstand, ook wel de opstand van de Bataven of opstand van de Batavieren genoemd, was een opstand (69 – 70) van de (vermoedelijk) West-Germaanse Bataven onder leiding van Gaius Julius Civilis in de militaire provincie Neder-Germanië (Germania Inferior). Nadat de Bataven aanvankelijk overwinningen hadden behaald op de Romeinse legioenen, slaagde een groot Romeins leger onder leiding van Quintus Petillius Cerialis – gestuurd door de nieuwe keizer Titus Flavius Vespasianus – er uiteindelijk in de opstand neer te slaan en de toestand te stabiliseren. Bij de onderhandelingen werden de Bataven vernederende voorwaarden opgelegd, waardoor ze voortaan een permanent gelegerd legioen moesten dulden in hun land van herkomst.

De ‘Itinerarium Antonini’ (volledige naam ‘Itinerarium provinciarum Antonini Augusti’) is een Romeinse reisgids uit de 3e eeuw n.Chr., die bijgewerkt is tot het eind van de 4e eeuw. In 17 reisroutes geeft ze een aantal plaatsen uit het Romeinse Rijk weer, alsmede de reisafstanden. Ze vormt een belangrijke bron voor de archeologie van onder andere Nederland in die tijd, zodat we weten waar en onder welke naam de Romeinse steden en forten bekend zijn. De naam zou zijn ontleend aan keizer Caracalla, wiens echte naam Marcus Aurelius Severus Antoninus was. Mogelijk is ook dat de naam verwijst naar keizer Antoninus Pius.

Evenals de ‘Peutinger Kaart’ geeft ze een beperkt aantal plaatsen weer om te kunnen reizen (zoals de borden langs de moderne snelwegen ook doen), zonder uitputtend te zijn. In tegenstelling tot deze ‘Peutingerkaart’ is het ‘Itinerarium Antonin’i geen kaart, maar een afstandenlijst. Maar helaas staat daar voor zover ik weet geen Tablis op…… Dus nu weten we nog niet of Tablis nu Oud-Alblas of Albasserdam was…….

Maar vast staat inmiddels wel dat er dus in de Romeinse Tijd in Oud-Alblas en in Alblasserdam, al heetten beide plaatsen natuurlijk toen nog niet zo, bewoning is geweest. Er zijn toen in deze streek Romeinse nederzettingen geweest. Op de plaats waar nu Alblasserdam ligt, en ook op de plek waar nu Oud-Alblas te vinden is. Dus misschien bedoelde de oorspronkelijke tekenaar van de Peutinger Kaart met de naam Tablis wel beide plaatsen. Ja, dat is de oplossing: Tablis op die oude kaart is Alblasserdam, en is ook Oud-Alblas…….


Bronnen: wikipedia en het verdere internet.

Foto's bewerkt met Fotosketcher.

Hartelijk dank aan de originele makers van de foto's, de video hierboven en andere documenten.

En ook hartelijk dank aan een zekere Duyster, die onderstaande video op YouTube zette.


Andere columns

Hier vind je de column van Hennie van der Zouw. Wil je reageren op een van de columns? Stuur hem dan een berichtje op hennie@avant.nl. Of bel hem op kantoor waar hij als vrijwilliger werkzaam is: Tel. nr. 088 - 65 40 402.

Over de columnist:

Hennie van der Zouw, oud leerkracht uit het basisonderwijs is geboren in Bolnes in de gemeente Ridderkerk en sinds 1995 is hij inwoner van Alblasserdam. Hennie is getrouwd en vader van een zoon. Hij is geinteresseerd in computers, I.C.T., stripverhalen, sport en geschiedenis.

Hennie heeft in de laatste vijftien jaar een aantal artikelen gepubliceerd in het Stripschrift, een blad met achtergrondverhalen over strips en het beeldverhaal in het algemeen.

Hennie is ook de webmaster van de websites van H.V. Anderz.

Hennie heeft inmiddels, onder pseudoniem een aantal sportboeken gemaakt en in eigen beheer gepubliceerd bij Brave New Books. De boeken over voetbal en schaatsen weerspiegelen Hennie;'s interesse in sport, en er zijn onder zijn eigen naam inmiddels ook twee bundels van zijn hier op www.alblasserdam.net gepubliceerde columns verschenen.

In december 2016, zo rond Sinterklaas is de tweede bundel van deze columns verschenen. Columns, altijd verankert in de geschiedenis, die proberen om Alblasserdam in het grotere verband van de wereldgeschiedenis en de tijd te laten zien......