
|
Dat Alblasserdam.net steeds meer bezoekers telt, is een bekend feit. Maar dat we ook in Australië worden bekeken en gelezen merkte onze fotograaf Joop Aret toen hij door ene G.P. Kamphuis uit Knoxfield per e-mail werd benaderd. Hem werd gevraagd of hij een archieffoto had van een huis aan de Van Eesterensingel (nr. 27). Welnu, daar was geen foto van aanwezig, maar spontaan werd er een foto gemaakt en opgestuurd. Prompt een reactie: “Joop, bedankt, maar dat was ons huis niet”. Na wat heen en weer gemail, een plattegrondje van Google-earth, bleek dat Guus gewoond heeft in een huis dat nu het huisnummer 154 heeft. Er heeft in het verleden namelijk een omnummering plaats gevonden! In ieder geval, Guus heeft zijn foto. Wij zijn blij iemand, die Alblasserdam in het hart draagt, geholpen te kunnen hebben. Deze contacten hebben ertoe geleid dat Guus Paul Kamphuis zijn herinneringen en heimwee heeft omschreven. Klik hier voor zijn emotionele verhaal “Heimwee naar Alblasserdam”. |
|||
Mijn naam is Gustaaf Paul Kamhuis. In Holland werd ik Guus genoemd en in Australië noemt men me Paul. Mijn ouders waren Nederlands, maar ik ben geboren in Indonesië. Direct na de tweede wereldoorlog, waar mijn vader het leven verloor in een Japans concentratiekamp, kwamen we naar Holland. In 1949, ik was toen bijna 12, kregen wij – moeder, broers en zuster - een woning toegewezen in Alblasserdam aan de van Eesterensingel 27 (nu 154). Onze buren destijds waren mevrouw Houwing en mevrouw van Kins. Ze hadden meerdere kinderen en ik heb ontdekt dat er nog twee Houwings aan de van Eesterensingel 139 en 148 wonen. Zij zullen zich mij en m’n oudere broer Rolf vast nog wel kunnen herinneren. De verhuizing van de stad Haarlem naar het dorpse Alblasserdam (toen minder dan 10000 inwoners) betekende voor ons een enorme verandering. Het dorp, met eigen opvattingen en gewoontes, was voor ons geheel onbekend maar als kinderen pasten we ons snel aan en al snel was ik lid van de Christelijke Schoolbende, die iedere woensdagmiddag vocht met de ‘messentrekkers’ uit Hendrik-Ido-Ambacht. We gebruikten lange houten stokken die we met een mes in het model van een zwaard hadden bewerkt. Deze gevechten verliepen vaak pijnlijk en deden de vijandige tijden van eeuwen geleden herleven, maar als je er nu aan terug denkt, realiseer ik me dat het eigenlijk ‘van de gekke’ was. Een ander hoogtepunt van mijn tijd in Alblasserdam was mijn lidmaatschap van de Jeugdpolitie en als afgevaardigde daarvan mijn ontmoeting met Koningin Juliana! Dat was nogal wat en ik mocht persoonlijk haar hand schudden. Ik was enkele weken beroemd en er werd in de plaatselijke kranten over geschreven. Helaas zijn de krantenknipsels van de Klaroen, die mijn moeder bewaarde, niet meer te vinden. In eerste instantie maakte mijn moeder de fout door ons naar de openbare lagere school in de Lelstraat te sturen, maar al snel werden we benaderd door een ouderling van de Gereformeerde Kerk in Kinderdijk die ons met nadruk op de Christelijke School wenste, alvorens we werden ‘besmet’ met het ‘wereldse’ van de Openbare School. Om wat zakgeld te verdienen hadden mijn zuster en ik een baantje als bezorger van de Klaroen. Dit gebeurde iedere vrijdagavond en dat was ’s-winters een bitter koud baantje. ’s-Zomers verdienden we ons zakgeld met het plukken van aardbeien. Ik had enkele goede vrienden. De namen Piet Zijderveld en Rinus Ipey zitten nog in m’n geheugen, hoewel we het contact verloren toen ik naar de HBS in Dordrecht ging. Een groep van ongeveer dertig jongens en meisjes verzamelde zich ’s-morgens op de Dam om vervolgens over de dijk naar Papendrecht te fietsen, waar we het pontje naar Dordrecht namen. Dit was best leuk, behalve dan in de winter. Mijn oudere broer ging naar de Technische School in Hendrik-Ido-Ambacht om te leren voor machinebankwerker en monteur. In 1955 behaalde ik m’n HBS diploma en ging bij Smit-Slikkerveer werken als laboratorium assistent. Dat was een mooie aanvulling op het weduwenpensioen van moeder en ook veroorloofde ik me het toen te gaan roken. Ik rolde zelf uit mijn eerste pakje ‘Pamir’. De eerste week was een grote schok voor me. Ik voelde me enorm geisoleerd en wilde het liefst onmiddellijk terugkeren naar Alblasserdam. Ik dwaalde door de straten op zoek naar een baantje, want ik had van m’n 10 dollar er al 6 uitgegeven aan kostgeld. Ik vond inderdaad een baantje als laboratorium assistent in een chemisch laboratorium. Dit vormde m’n carriëre en ’n jaar later ging ik chemie-studies volgen bij de Swinburne-universiteit. Ik moest werken om m’n studie te betalen, maar ook kostgeld aan moeder. Uiteindelijk,in 1964, behaalde ik m’n diploma. Helaas kon moeder dit niet meemaken, zij was in januari 1963 overleden aan longkanker. Joan en ik betreuren het dat we onze verdiensten steeds aan andere prioriteiten in ons groeiende gezin moesten besteden, zodat het er nooit van gekomen is om Holland te bezoeken. Vaak plannen, maar dan deed zich weer iets voor dat onze financiële aandacht vroeg. Ik ben gepensioneerd industrieel chemicus sinds 1997, gelukkig gezond, en hoop op 23 augustus 2007 d.v. 70 te worden. Mijn vrouw Joan wordt in juli 65 en begint de de gevolgen van arthritis te merken. We hebben beiden gelukkige herinneringen aan onze jeugdjaren in Holland. Ondanks het feit dat we genaturaliseerde Austaliërs zijn, zullen we ons altijd Hollanders blijven voelen, trots op ons erfgoed en land, dat zo’n rijke historie heeft en goede waterdeskundigen (Afsluitdijk, Deltaplan, enzovoort). Als ik denk aan hoe ik zwom, viste en roeide in Cortgene en bij de molens, en ’s-winters schaatste op de Alblas en ook bij de molens, krijg ik bijna tranen in m’n ogen. Het was geweldig daar op te groeien en ik zal de herinneringen altijd in m’n hart bewaren. Dat is het wat “Heimwee naar Alblasserdam” met me doet. Gustaaf Paul Kamphuis |
|||










