Alles over Alblasserdam...

Column

Herinneringen van een Alblasserdammer aan de Japanse Interneringskampen: 'De Halve Wasknijper' (woensdag 18 april 2018)

Afbeelding bij Column: Herinneringen van een Alblasserdammer aan de Japanse Interneringskampen: 'De Halve Wasknijper'

Alblasserdammer Cor Snoek, overlevende van de Japanse interneringskampen in Nederlands Indie in de Tweede Wereldoorlog, had mij ooit zijn verhaal verteld. Ik had het ook wel eens gelezen, en in mijn achterhoofd speelde de gedachte dat ik het verhaal hier op Alblasserdam.net ook wel eens als onderwerp van een column wilde gebruiken. Cor Snoek staat hierbij voor mij als voorbeeld van allen die de Japanse kampen overleefden. Eerst hier nog wat geschiedenis over die vreselijke tijd voordat Cor zijn verhaal gaat vertellen. (Foto hierboven: Cor Snoek met een ingelijste aquarel, waar de halve wasknijper uit zijn verhaal op kunstzinnige manier in verwerkt is.) 

Jappenkampen
'Jappenkamp' het woord kent u vast wel. Het is de gebruikelijke Nederlandse benaming voor Japanse interneringskampen, en dat waren plaatsen waar burgers of krijgsgevangen militairen gedurende de Japanse bezetting van Nederlands-Indië (1942-1945) gedwongen waren te blijven op last en onder toezicht van het Japanse gezag. Nederlanders werden namelijk door de Japanse bezetter, als staatsburgers van landen waarmee Japan direct in oorlog was, beschouwd als 'vijandelijke buitenlanders'. Er was sprake van een harde en wrede behandeling van zowel burger- als krijgsgevangenen, soms met de dood tot gevolg. Ook was er een groot tekort aan voedsel, water en medicijnen in deze kampen. Besmettelijke ziekten, mede veroorzaakt door slechte sanitaire voorzieningen, hadden vrij spel en kostten aan duizenden het leven.

Nog even een opfrissingsstukje over die tijd
Gedurende het verloop van de Tweede Wereldoorlog werd Nederlands-Indië in 1942 door Japan bezet. De interneringskampen werden door het Japanse bezettingsleger gebruikt om Nederlanders en mensen van andere nationaliteiten, die nog in het land verbleven, te interneren. Er waren krijgsgevangenkampen voor militairen, en kampen voor burgers.

De burgerkampen waren weer onderverdeeld in kampen voor mannen, vrouwen en kinderen en (oudere) jongens. Sommige vrouwen werden door Japanse soldaten tot prostitutie gedwongen; zij werden troostmeisjes genoemd.

De gevangenen werden over het algemeen slecht behandeld. Er was vaak weinig eten beschikbaar en men moest hard werken. Overtreders van de regels konden vaak rekenen op strenge straffen of martelingen. Naast deze kampen waren er ook werkkampen voor Indonesiërs (romoesja's) en kampen voor Indo-Europese jongeren.

Veel mannen (militairen, dienstplichtigen en romoesja's, aangevuld met fysiek 'sterke' burgers) werden ingezet als dwangarbeiders aan de Birmaspoorweg, de zogenaamde Dodenspoorlijn tussen Nong Pladuk in Thailand en Thanbyuzayat in Myanmar (Birma), of aan de Pakanbaroe-spoorweg tussen Pekanbaru en Muaro op Midden-Sumatra. Ook werden de mannen als dwangarbeider ingezet voor het aanleggen van vliegvelden op Flores, op de Molukken en het werk in mijnen of andere industrieën in Japan.

Het hieronder afgedrukte verhaal van Cor Snoek speelt zich af in Burgerkampen op Java
In de burgerkampen was vaak een groot tekort aan voedsel, water en medicijnen. Soms trachtte men in het geheim via handeldrijven aan de gedeks (bamboe omheiningen) met de bevolking van omringende dorpen aan extra voedsel te komen. Dit bilikken of gedekken, indien ontdekt, werd echter streng bestraft door de kampbewaking. Belangrijk onderdeel van het dagelijks menu was een pap van Asiameel, die in het kampjargon bubur atji (stijfselpap) werd genoemd. Latrines waren vaak verstopt waardoor besmettelijke ziektes zoals dysenterie vrij spel kregen en in de overvolle slaapvertrekken wemelde het van wandluizen, vliegen en ratten. Hongeroedeem, malaria en beriberi kwamen vaak voor. Zendingen van het Rode Kruis werden vaak eerst door de Japanners afgeroomd. Vooral aan het eind van de oorlog ging de gezondheidstoestand snel achteruit.

Geïnterneerden werden vaak op transport gezet, meestal in overvolle treinen, waar de temperatuur in de geblindeerde wagons tot grote hitte kon stijgen. In de kampen heerste een streng regiem. Overtredingen werden met stokslagen of uren in de zon staan zonder drinken bestraft. Er werd dagelijks appel gehouden om de gevangen te tellen. In de vrouwenkampen werd in 1944 het bevel uitgevaardigd dat alle jongens van 10 jaar en ouder moesten verhuizen naar een speciaal jongenskamp, vaak in een bestaand mannenkamp. Sporadisch mocht er een briefkaart in het Maleis in de vorm van standaardzinnen, aangevuld met eigen woordjes, worden geschreven.

Burger-geïnterneerden in kampen op Java werden vanaf 1 maart 1944 onder centraal militair bestuur geplaatst. Vóór die datum vielen zij onder direct legerbeheer. De kampen op Java werden onder drie gewestelijke hoofdkantoren geplaatst, ook wel Bunsho's genoemd, waaronder onderdistricten of Bushenko's. Binnen elke Bunsho werden de kampen doorlopend genummerd. Dit waren:

Bunsho I: Batavia en omstreken (Bushenko's: Batavia-1, Batavia-2, Tangerang en Buitenzorg, totaal 9 kampen).
Bunsho II: overig West-Java (Bushenko's: Bandung en Cimahi, totaal 6 kampen)
Bunsho III: Midden- en Oost-Java (Bushenko's: Semarang, Ambarawa/Banyubiru, Solo en Muntilan, totaal 13 kampen).

Herinneringen van een Alblasserdammer aan de Japanse Interneringskampen:

'De Halve Wasknijper'

door Cor. F. Snoek

Soms gebeurt het in het leven van een mens dat een verhaal of een voorwerp heel diens leven meegaat. Gewild of ongewild.

En zo beleeft het ook z’n eigen jeugd, doorstaat een eigen soort pubertijd en bereikt veel later een zekere mate van volwassenheid, daar eigen aan.

Het groeit op, wordt en blijft ten slotte één geheel met die man of vrouw: een metgezel voor de rest van het leven. Zoiets als een persoonlijke schaduw: bijna altijd aanwezig in het leven van alledag, maar zelden op de voorgrond.

Mijn verhaal gaat over zo’n gebeurtenis met een bepaald voorwerp.

De Tweede Wereldoorlog overviel ons gezinnetje net als zovele anderen en die heb ik, samen met onze moeder en jongste zus, gedurende drieënhalf jaar, meegemaakt in het Verre Oosten.

Om precies te zijn, in het voormalige Nederlands-Indië en nog nauwkeuriger: op Oost- en Midden-Java. In die tijd hebben wij in vijf interneringskampen, waarin de Japanners hun gevangenen zonder pardon opsloten, met vele tienduizenden getracht ons leven zo lang mogelijk te rekken of liever nog: te behouden. Zo goed en kwaad als dat toen ging.

Verplichte overplaatsingen van kamp naar kamp, steeds meer het Javaanse binnenland in, waren een regelmatig en verontrustend gebruik geworden.

We raakten steeds vaker familie, vrienden en kennissen kwijt en…we raakten verder weg van onze geallieerde bevrijders. Wanneer zouden die eindelijk eens op de kusten landen, was de onuitgesproken vraag – telkens weer onder de geïnterneerde vrouwen en mannen. Van alle ondervonden ellende was de groeiende moedeloosheid in die uitzichtloze toestand er ook één, die vooral de volwassenen onder ons langzaam geestelijk sloopte

Wij, hun kinderen, waren ons daar minder van bewust, al misten wij vooral onze vaders en niet veel later ook de overleden moeders en weggevoerde, oudere broers, die op hun beurt hun moeders sterk misten. Soms verdwenen ook oudere zussen uit het zicht en de bescherming van de ontstelde en wanhopige moeders.

Die scheidingen, eerst tussen echtgenoten of mannen en vrouwen, en later tussen moeders en kinderen waren een bron van niet aflatende zorg en onzekerheid over het nu en later. Toekomst, was die er nog wel? En voor wie dan wel? En hoe zag die eruit?

Onze moeders en pleegvrouwen probeerden naar hun beste vermogen de moed er in te houden. Moed met een d of moet met een t, zoals op het eind van die tijd van internering, was van levensbelang. Welke vrouw of moeder had haar echtgenoot bij het afscheid niet uit het diepst van haar hart beloofd alles te doen of na te laten om het leven van hun kinderen, die soms nog ter wereld moesten komen, te waarborgen? Bij hoeveel van hen was toen al heimelijk de moed in de schoenen gezonken, wetend dat in tijd van oorlog alles onzeker is. Ze stonden er, zonder echtgenoot, alleen voor. Dat was wél zeker.

Was voor onze moeders en vrouwen, die vaak verweesde kinderen adopteerden, de moedeloosheid over de uitzichtloosheid een dagelijkse vijand, voor ons kinderen was dat onder andere de niet aflatende verveling.

Natuurlijk: er moest gewerkt worden. Ook door kinderen vanaf 6 jaar. Daarover was geen discussie mogelijk met de Jap. Stel je voor! In Japan moesten kinderen vanaf die leeftijd ook allerlei karweitjes doen, dus…
Maar het werk dat wij kinderen moesten verrichten was uitputtend in de felle tropenzon en vooral geestdodend.

Voor de jongsten onder ons was er het sprietencorvee; het schoonhouden van de
appelplaats. In groepjes van niet meer dan 5 kleintjes schoven wij, gebogen en op onze knietjes, naast elkaar over het stoffige zand van het verzamelplein en verwijderden wij de grassprieten die het corvee en de inspectie van de vorige dag hadden overleefd. Als waren zij een bijna onzichtbaar en hoopvol voorbeeld voor ons.

Een eindeloze strijd tegen de natuur in de tropen en de Jap, die gestreng toezicht hield. Die altijd het oudste meisje, dat verantwoordelijk was voor de vier kleintjes onder haar, in de gaten hield om bij de minste of geringste overtreding de daarbij, naar zijn mening, behorende straf uit te delen.

Schoppen, slaan of meppen met een bamboestok waren normale straffen geworden. Voor ons kinderen, die dat thuis zeker niet gewend waren, een onbegrijpelijke en pijnlijke ervaring. Die je vaak liever niet vertelde aan je moeder, die toch al zoveel aan haar hoofd had. En…een reprimande van je moeder over jouw onoplettendheid ondanks haar waarschuwing was moeilijker te verdragen dan het eerder door de Jap aangedane leed. Zij hield immers wél van je.

Spreken met elkaar was zo’n vergrijp, net als het dragen van zelfs maar een zakdoek op je hoofd tegen de felle tropenzon die zijn bijnaam ‘de koperen ploert’ keer op keer ruimschoots bewees.

Wanneer de schaduw van de Japanse of Koreaanse schildwacht over je heen viel, dan wist je één ding zeker: er volgde zonder meer een flink pak rammel, want niemand, zelfs geen kind, mocht in de schaduw van de Japanse overheerser staan.

Was het geleverde werk te weinig, niet af of was er toch nog een grasspriet ontsnapt aan de aandacht van één van ons, dan kon je zeker een pak rammel verwachten.

Meestal voor het toezichthoudende, ook meewerkende en oudste meisje, want zij was zoals gebruikelijk verantwoordelijk. Altijd, al was ze amper één of twee jaar ouder dan de andere slachtoffertjes in haar groepje.

Maar dit corvee was nog te verkiezen boven dat van het schoonhouden van de ‘slokans’, zeg maar ‘poepgoten’ in de kampen, want toiletten of latrines waren een zeldzaam verschijnsel in de interneringskampen. Die goten waren open en moest met putemmertjes geleegd worden. Doorspoelen met water was verboden: water was bijna alleen bestemd voor het koken van voedsel, drinken en, bij uitzondering, voor verzorging van de zieken. Waren er geen of onvoldoende putemmertjes, dan moest het probleem met de blote handen worden opgelost. Een levensgevaarlijke taak, want diverse uitbraken van cholera en dysenterie lieten hun verwoestende sporen na in die slokans. De Jap had het begrip hygiëne alleen voor zichzelf gereserveerd, zoveel was onze moeders wel duidelijk gemaakt.

Toen ik eens werd ingedeeld in die ploeg – mijn moeder had dat lange tijd op slimme wijze weten te voorkomen – nam zij haar eigen maatregel ter bescherming van mij. Zij maakte mijn dunne beentjes nat met wat water en wreef die vrijwel onmiddellijk in met het stoffige zand dat ruimschoots in het kamp voorhanden was. Deze ‘natuurlijke’ kousen moesten tijdelijk voor de nodige bescherming zorgen. Meer mogelijkheden had zij niet en of het inderdaad een mogelijkheid was laat ik over aan ieders gedachten omtrent basale hygiëne en werkelijkheidszin.

En dan was er ook nog de keukenhulp voor allerlei karweitjes in de keuken, die de vrouwen niet verrichtten. Hout zoeken voor het stoken, groente wassen (voor zover dat werd verstrekt) en snijden, potten en pannen schoonmaken (geen bezwaar als er nog wat nauwelijks zichtbare etensresten in waren te vinden) en vooral het sjouwen met de zware etensgamellen naar de uitdeeltafel. Toch een felbegeerde taak, want je kon niet weten…

Minder felbegeerd, ja zelfs geminacht, was de taak van de jongen die belast werd met het slachten van honden, katten, vogels, kikkers of ander gedierte, dat gevangen was en zijn onnatuurlijke bestemming in de kookpotten zou vinden.

Elke vorm van eiwit was broodnodig en het leven gold toen alleen voor de sterkste.

Mijn anderhalf jaar oudere zus bofte maar met haar taak: zij was ingedeeld in het ‘wegonderhoud’ d.w.z. dat deze groep kinderen van amper 12 jaar de wegen rondom het kamp moest vrijhouden van allerlei gesteente, dat van de bergen was afgerold en zo een obstakel vormde voor het transport van allerlei Japans legermateriaal.

Groepsgewijs rolden zij het bergpuin naar de kant van de weg. Onder toezicht en hulp van weer een groepsoudste. Een Japanse of Koreaanse schildwacht zag ook hier toe, dat het werk gestaag doorging ondanks de zwaarte ervan, de ondervoede lichaampjes van die kinderen en de ‘koperen ploert’ die van nature overdag ook al geen medelijden kende.

Zo’n groepje kwam tenminste nog buiten het kamp en daar waren er meer mogelijkheden om aan voedsel te komen. De kinderen hielden de omgeving zo stiekem mogelijk in de gaten, honger scherpte de geest. Zodra er tekenen waren van de aanwezigheid van een slang of een ander dier, vormden de kinderen er een kring omheen en wierpen met een goedgerichte worp van een stuk puin
naar de kop van het dier. Dat was meestal afdoende om het dier zijn nieuwe bestemming te geven.

De kunst was vervolgens de schildwachten – aan de weg en de ingang van het kamp – in het ongewisse te laten over de vangst. Meestal werd de dode slang daartoe verborgen rondom het middel van een meisje onder de schaarse kleding.
Niet zelden echter was de wacht attent en nogal belust op extra controles. Voor Japanse en Koreaanse militairen gold de slang als een delicatesse meer nog dan als noodzakelijke aanvulling op hun dagelijkse en ook geringe rantsoenen.

Maar dit soort ‘kinderarbeid’ was naast het lichamelijk uitputtende karakter zeker ook geestdodend. Daar zat de overheerser overigens bepaald niet over in. In tegendeel; het leek juist heel doelgericht toegepast te worden.

Onze moeders zaten daar wél over in en zij probeerden zo goed en kwaad als dat ging ons kinderen uitzicht te geven op iets nieuws, dat voor opleving zou kunnen zorgen. Al was het maar even, om de geest wakker te houden en de afzwakkende hoop te doen opleven.

Eigenlijk was normaal schoolonderricht daartoe het beste middel, maar materialen ontbraken en geleidelijk aan ook de geestelijke kracht: de vrouwen draaiden al dag- en nachtdiensten. Constant. Maar meer nog; onderwijs was
strikt verboden en samenscholingen van drie of meer personen waren bovendien zonder meer verboden en dus strafbaar.

Uitzicht op iets nieuws…dat draaide vaak om het steeds meer vervagende begrip ‘verjaardag’ en de daarbij behorende verwachting op dat nieuwe, iets plezierigs, iets onverwachts. Waarover jij je gedachten kon laten gaan.

Natuurlijk wist elke kampbewoner precies de datum van zijn of haar verjaardag. Toen…maar wanneer was die er precies in het zo veranderde nu? De dagen, weken en maanden werden weliswaar zo goed mogelijk bijgehouden via het ‘turfsysteem’ en zo mogelijk ook gecontroleerd als er nieuwe mensen in het kamp arriveerden. Maar…het bijhouden ervan vergde extra aandacht en was ook vaak deprimerend. Alweer een maand, een jaar voorbij en nog steeds geen bevrijding. Zo’n ‘hedendaagse’ verjaardag kon ook zomaar ineens één of twee weken afwijken van die van toen. Als die al gevierd werd, tenminste, want naarmate de tijd vorderde, eiste de algemene malaise onverbiddelijk haar tol op.

En zo kwam ook, ergens midden in het jaar, mijn verjaardag in zicht, zij het in figuurlijke zin. Want moeder sprak er niet over om eventuele teleurstelling te voorkomen. Kreeg zij het wel op tijd voor elkaar? Elke dag kende immers zijn onverwachte tegenslagen.

Zij was zo gelukkig om een halve wasknijper via ruilhandel te verwerven. Daarin zag zij mijn cadeautje al gestalte krijgen. Nu nog een viertal knoopjes van een hemd te pakken zien te krijgen, het liefst vier van hetzelfde formaat en gelijke kleur. Dat laatste bleek evenwel een onmogelijke taakstelling te zijn. Maar uiteindelijk werd het wel een viertal knoopjes van dezelfde doorsnee. Een niet onbelangrijke voorwaarde voor succes. Nu nog een paar spelden met op het eind een stevige knop…en Kees was bijna klaar.

Met eindeloos geduld en vindingrijkheid brandde zij de speldjes, na ze eerst op maat afgebroken te hebben, in de houten helft van de wasknijper. Maar niet voordat zij elk asje door één van de vier gaatjes van de knoopjes had gestoken. Dat alles met niet meer middelen dan een miniem houtskoolvuurtje en in haar schaarse ‘vrije’ tijd.

Het kleine wonder was tot stand gekomen: een racewagentje als je de halve knijper tenminste met het scharnierpunt naar boven hield en…een vracht-wagentje als je de vlakke kant naar boven hield. Inderdaad, een wondertje: waar vind je een racewagentje met het laadvermogen van een vrachtwagen?

Groot was haar verwachting toen zij mij dit kleinood overhandigde. Onverpakt, want papier was een ongekende luxe geworden. Dat gebruikte je niet voor verpakking, maar voor berichtjes naar buiten.

Hoe zou ik erop reageren?

Ja, ik was zeker verbaasd en blij, maar toen ik het voertuigje met mijn wijsvingertje voorzichtig voortbewoog, ontstond meteen mijn teleurstelling. Het hobbelde maar wat vooruit of, als ik dat wilde, achteruit. Eigenlijk was het meer waggelen! Dit als gevolg van de knoopjes die geen middelpunt hadden door die vier gaatjes. Dat moet zij tenslotte ook gemerkt hebben, hoewel mijn moeder niet echt technisch begaafd was.

En?...vroeg zij mij hoopvol aankijkend. Met kinderlijke eerlijkheid, die aan onbarmhartigheid grensde, antwoordde ik:’Wat is dit nou voor een autootje?Hij hobbelt, hij heeft een heel slechte vering!’

Ze moet haar antwoord kant en klaar gehad hebben, besefte ik later. Ze zei:’Zijn vering is goed, maar de weg is erg hobbelig!’ Een meesterlijk antwoord voor een atechnische moeder. Dat heb ik altijd zo ervaren.

Zoals eerder opgemerkt gaan sommige voorwerpen een mensenleven mee van jeugd tot ouderdom. Zo ook dit racewagentje met een vrachtwageneigenschap; een fenomenale tegenstrijdigheid.

Het origineel is helaas in die beroerde tijd van mij gestolen, het duplicaat met vier gelijksoortige knoopjes of wieltjes ontstond later. Gemaakt toen een kortstondige pubertijd, gelukkig in vredestijd, ook mij ten deel viel. Ik vond het al gauw een ‘waardeloze uitvinding’ – onrealistisch, gebrekkig en niet toonbaar. Maar ‘weg ermee’ was toch een wat al te voorbarige beslissing. Zo voelde ik dat.

Veel en veel later zag ik in een flits pas de andere werkelijkheid achter moeders gezegde: de vering is goed, maar de weg is erg hobbelig!

Immers, kent het leven ook niet die ‘hobbeligheid’ en moeten we die ook niet zien op te vangen met onze eigen vering? Onze opvoeding, onze talenten. Dat wat ons geschonken is om die weg af te leggen. Het leven zal nooit een egale asfaltweg voorstellen en de vering zal ook nooit toereikend zijn om elke hobbel daarop zonder moeite te nemen.

Maar moeders combinatie van race- en vrachtwagen ben ik in het leven, ook in figuurlijke zin, nog niet tegengekomen. Nog niet…maar wie weet?!

Of gaat die in ons leven schuil in een snelle en flitsende periode en dan weer in een soms zwaar belaste tijd die ook afgelegd moet worden?

(Foto hierboven: Detail van de halve wasknijper.)

Cor Snoek vertelde mij ook nog het volgende: "Het verhaal van de halve wasknijper is ook in het bezit van de burgemeesters van Rotterdam en Alblasserdam: A. Aboutaleb, B. Blase en J. Paans. Dit in verband met de 4 & 5 mei vieringen en die van 15 augustus (capitulatie Japan: einde Tweede Wereldoorlog) Ook wethouder K. Louwes van Rotterdam en loco-burgemeester bezit een exemplaar.

Een officieel vertaald exemplaar heb ik gezonden naar een Duitse leerling die autotechniek studeert en die verrast was door de combinatie raceauto/vrachtwagen. Heeft op zijn studieplek daar driftig over gefilosofeerd en genoten van allerlei technische opmerkingen van leraren en medestudenten."

Hartelijk dank aan Cor Snoek voor zijn medewerking.
Geschiedkundige gegevens komen uit Wikipedia.
Foto's zijn van Hennie van der Zouw.


Hennie van der Zouw

Hennie van der Zouw

Hier vind je de column van Hennie van der Zouw. Wil je reageren op een van de columns? Stuur hem dan een berichtje op hennie@avant.nl. Of bel hem op kantoor waar hij als vrijwilliger werkzaam is: Tel. nr. 088 - 65 40 402.

Over de columnist:

Hennie van der Zouw, oud leerkracht uit het basisonderwijs is geboren in Bolnes in de gemeente Ridderkerk en sinds 1995 is hij inwoner van Alblasserdam. Hennie is getrouwd en vader van een zoon. Hij is geinteresseerd in computers, I.C.T., stripverhalen, sport en geschiedenis.

Hennie heeft in de laatste vijftien jaar een aantal artikelen gepubliceerd in het Stripschrift, een blad met achtergrondverhalen over strips en het beeldverhaal in het algemeen.

Hennie is ook de webmaster van de websites van H.V. Anderz.

Hennie heeft inmiddels, onder pseudoniem een aantal sportboeken gemaakt en in eigen beheer gepubliceerd bij Brave New Books. De boeken over wielrennen, voetbal en schaatsen weerspiegelen Hennie;'s interesse in sport, en er zijn onder zijn eigen naam inmiddels ook twee bundels van zijn hier op www.alblasserdam.net gepubliceerde columns verschenen.

In december 2016, zo rond Sinterklaas is de tweede bundel van deze columns verschenen. Columns, altijd verankert in de geschiedenis, die proberen om Alblasserdam in het grotere verband van de wereldgeschiedenis en de tijd te laten zien......

Op deze website kunt u meer infomatie vinden over de gebundelde columns.