Bekende Alblasserdammer en Dominee Frans Mallan was bijna Tweede Kamerlid geweest

28 juli 2022 • 11:40 door Hennie van der Zouw
Bekende Alblasserdammer en Dominee Frans Mallan was bijna Tweede Kamerlid geweest
Foto uit artikel in blad Koers.

Als je als columnist verhalen maakt die iets met Alblasserdam te maken hebben, dan is er natuurlijk één persoon waar je absoluut niet omheen kan: Dominee Mallan.

Hier dan ook zijn levensverhaal, geïllustreerd met enkele op het internet gevonden artikelen over hem.

Foto hierboven: Dominee Frans Mallan gefotografeerd voor het artikel 'De Kerkscheuring die god heeft gewild' van Margreeth de Boer. Afkomstig uit het blad 'Koers' van 17 september 1993.


Frans Mallan

Kerkelijke loopbaan:

1948-1960:  predikant te Bruinisse
1960-1968:  predikant te Veenendaal
1968-1972:  predikant te Gouda
1972-1976:  predikant te Vlaardingen
1976-1984:  predikant te Rhenen
1984-2010:  predikant te Alblasserdam
1996-2010:  emeritus-predikant
1966-2010:  hoofdredacteur kerkblad 'De Wachter Sions'
1966-2010:  (hoofd)docent Theologische School

Frans Mallan, geboren in Rotterdam-Kralingen op 18 april 1925 en overleden in Alblasserdam op 8 juli 2010, was een Nederlands predikant van de Gereformeerde Gemeenten in Nederland. Na het overlijden in 1966 van de stichter van dit kerkgenootschap, dr. Cornelis Steenblok, was Mallan gedurende vele jaren de leidinggevende persoon hierbinnen.

Frans Mallan startte zijn carrière als medewerker in een slagersbedrijf, maar moest dat werk in de Tweede Wereldoorlog noodgedwongen stopzetten. Na de oorlog wilde hij deze draad weer op pakken, maar ondertussen voelde hij dat hij een roeping had tot het predikambt.

Frans Mallan werd op de relatief jonge leeftijd van twintig jaar toegelaten tot de predikantenopleiding van de Gereformeerde Gemeenten. Hier volgde hij de lessen van ds. G.H. Kersten, docent A. van Bochove en de theoloog dr. C. Steenblok. In 1948 werd hij door predikant Jozias Fraanje bevestigd in de gemeente Bruinisse. Hier maakte hij de watersnood van 1953 mee. Toen in hetzelfde jaar Steenblok wegens "eenzijdigheden in zijn onderwijs" werd geschorst als docent van de Theologische School ging Mallan met zijn gemeente mee naar de door dr. Steenblok opgerichte Gereformeerde Gemeenten in Nederland. 

Na Bruinisse diende hij achtereenvolgens de gemeenten in Veenendaal (1960), Gouda (1968), Vlaardingen (1972), Rhenen (1976) en Alblasserdam (1984), hier ging hij in 1996 met emeritaat.

Toen dr. Steenblok in december 1966 overleed, werd Mallan de nieuwe leider van de Gereformeerde Gemeenten in Nederland. Hij was hoofdredacteur van het kerkblad De Wachter Sions en was van 1964 tot 2008 docent aan de theologische opleiding van de kerken, die echter slechts een gering aantal studenten kende. Onder zijn leiding ontstond rond de Gereformeerde Gemeenten in Nederland een mini-zuil binnen de reformatorische zuil met onder andere een eigen bejaardenhuis, eigen basisonderwijs en een eigen organisatie voor hoger opgeleiden, het KLS. Waar Steenblok een weinig sociaal vaardig academisch denker was, toonde Mallan zich meer een samenbindende persoonlijkheid die bredere lagen van het kerkvolk wist aan te spreken. Hij wist echter niet te voorkomen dat in 1980 het kerkgenootschap opnieuw scheurde waardoor de Gereformeerde Gemeenten in Nederland (buiten verband) ontstonden. Op hoge leeftijd maakte hij nog mee dat deze breuk gedeeltelijk werd geheeld door de terugkomst van enige gemeenten.

Frans Mallan overleed begin juli 2010 op 85-jarige leeftijd te Alblasserdam, waar hij na zijn emeritaat was blijven wonen. Op zijn begrafenis, geleid door ds. J. Roos, kwamen duizenden mensen af.

Nevenfuncties

Mallan was zowel betrokken bij de kerk als bij de politiek. Hij vervulde ook enkele nevenfuncties op dat gebied; hij was onder meer ook lid van de Nederlandse stichting Mbuma-Zending en het GBS-bestuur.

In de politiek was hij betrokken als kandidaat voor de Tweede Kamerverkiezingen. In 1971 werd er een voorkeursactie gehouden onder leiding van de oud-gereformeerde ds. E. du Marchie van Voorthuysen, waarbij Mallan bijna in de Tweede Kamer kwam. Naast dat Mallan Tweede Kamerkandidaat was, zat hij met L.M.P. Scholten in het hoofdbestuur van de SGP en hield met hem een lezing in de Tweede Kamer over het gevaar van abortus.

Frans Mallan publiceerde een groot aantal boeken, voornamelijk prekenbundels en andere stichtelijke lectuur. Samen met L.M.P. Scholten publiceerde hij een verantwoording van het ontstaan van de Gereformeerde Gemeenten in Nederland, Uit ons uitgegaan, waarvan de titel enig stof deed opwaaien aangezien deze niet alleen suggereerde dat de veel grotere Gereformeerde Gemeenten het kerkverband hadden verlaten, maar ook verwees naar een Bijbeltekst over dwaalleraars in de vroege christelijke kerk.

Voornaamste publicaties:

* Uit het zieleleven. Briefwisseling tussen een vriend uit Mesech en een vriend uit de landstreek der Jordaan over de 119e, de 42e en de 84e Psalm (Ede: West-Friese Boekhandel, 1965)
* Het troostboek voor de christen. Verklaring van de Heidelbergse catechismus in 52 predikaties (Rotterdam: Van den Berg, 1973; 2e druk: Zwijndrecht, 1985)
* Met L.M.P. Scholten, Uit ons uitgegaan (Rotterdam: Van den Berg, z.j. [=1978])
* Het Woord des levens. Overdenkingen over de eerste Zendbrief van de apostel Johannes (Zwijndrecht: Van den Berg, 1988)
* De groetenis met mijn hand. Dertig brieven (Houten: Den Hertog, 1994)
* Als een blinde geleid, preek ter gelegenheid van het 50-jarig ambtsjubileum (Veenendaal: De Wachter Sions, 1998)
* Het gesproken woord (Veenendaal: De Wachter Sions/Alblasserdam: Sola Gratia, 1998-2009; 5 delen)
* De majesteit des Heeren in de weg Zijner oordelen. Predikatie over Amos 9:5-6 ter herdenking van de watersnood van 1953 (Veenendaal: De Wachter Sions, 2003)

Frans Mallan

Auteur: Peter Bak, voor Protestant.nl. (20 september 2010)

Vijfduizend mensen woonden zijn begrafenis bij. In Alblasserdam, de plaats waarnaar Mallan in 1984 werd beroepen, reden op 14 juli 2010 pendelbussen af en aan. Verkeersregelaars moesten er aan te pas komen om de rouwstoet in goede banen te leiden. Zes dagen eerder had ‘de paus van de Gereformeerde Gemeenten in Nederland’, zoals Mallan wel werd genoemd, de laatste adem uitgeblazen. ‘Vader van het kerkverband’ was een andere benaming van de voormalige slager, of zelfs ‘laatste gereformeerde heilige’. Mallan, zo schreef leerling ds. Jochum Roos een dag na diens overlijden in het Reformatorisch Dagblad, had onderwijs van ‘de Hemelse academie’ ontvangen.

Dat onderwijs was – naar Mallans eigen zeggen – begonnen toen hij zes jaar oud was. ‘Ik zat bij ds. G.H. Kersten in de kerk, in Rotterdam, en kreeg te geloven dat ik ooit op de preekstoel zou staan.’ God riep de jonge Frans tot zijn dienst, en niet tevergeefs. Hij ging, de kleuterschoenen amper ontgroeid, de Redelijke godsdienst van Brakel bestuderen, ‘in de oude druk’, zo voegde hij er later in interviews nadrukkelijk aan toe. Het maakte Frans tot een buitenbeentje, want ‘het kwam toch openbaar dat de Heere in me werkte.’ Als schoolgenoten gingen spelen hield Frans zich afzijdig. ‘Dan ging ik een boekje zitten lezen.’

Op elfjarige leeftijd openbaarde God zich voor de tweede maal, met de vraag: ‘Hebt ge Mij lief?’ Frans antwoordde bevestigend en kreeg als opdracht: ‘Weid mijn schapen.’ Vier jaar later, in 1940, klonk Zijn stem opnieuw. ‘Toen werd ik,’ vertelde Mallan later, ‘met een Drie-enig God verzoend.’ Inmiddels was het oorlog, en die liet het gezin Mallan niet onberoerd. Van de woning aan de Rotterdamse Dijkstraat bleef tijdens het Duitse bombardement van 14 mei 1940 niets over, ‘nog geen speld’, zou Frans’ moeder later zeggen. Maar ze zat niet bij de puinhopen neer, want God had het immers zo beschikt. Dit was vierenhalfjaar later, in november 1944, ook de houding van Frans toen hij tijdens de grote razzia in Rotterdam werd opgepakt en per schip oostwaarts werd gevoerd – naar Duitsland, dacht hij. Vluchten wilde Mallan niet, in de geest van leidsman Kersten die de bezetting als een gesel Gods voor begane zonden uitlegde en daarom van mening was dat het Nederlandse volk zich aan de Duitsers had te onderwerpen. ‘Met dat gevoelen ben ik goed geweest,’ aldus Mallan. ‘Daarom wilde ik niet vluchten.’ In Duitsland belandde hij overigens niet; hij werd tewerkgesteld in Zwolle. Uitgeput en vermagerd keerde Mallan na de bevrijding in Rotterdam terug waar hij het slagersvak weer wilde opnemen. Maar God had andere plannen met hem. ‘Toen ik met mijn baas had afgesproken in augustus weer te gaan werken kwamen de woorden naar mij toe: “Zegt gij niet: Het zijn nog vier maanden en dan komt de oogst? Ziet, Ik zeg u: Heft uw ogen op en aanschouwt de landen, want zij zijn alrede wit om te oogsten."'

Mallan gaf aan deze wenkende woorden gehoor en meldde zich bij de Theologische School van de Steenblok. Drie jaar later, in 1948, vlak na het overlijden van Kersten, werd Mallan door Fraanje als predikant bevestigd in Bruinisse, op het oostelijkste puntje van Schouwen-Duiveland. Twee jaar lang stond hij er op een gereformeerd-synodale kansel. Bruinisse was zwaar gehavend uit de oorlog gekomen. De kerk van de gereformeerde gemeente was verwoest, evenals de hervormde kerk. Alleen de gereformeerde kerk was blijven staan. ’s Zondags werden er zes diensten gehouden; de drie kerkgenootschappen kregen elk twee keer een uur, terwijl een dienst van de gereformeerde gemeente minstens anderhalf uur duurde. ‘Toen moest ik vlug praten, hoor!’ zei Mallan naderhand.

Voor Bruinisse was het leed nog niet geleden. Ook de watersnoodramp van 1 februari 1953 trof het dorp. Mallan moest hele gezinnen begraven. ‘Zeven uit één gezin, vijf uit één gezin, veertien uit één familie. Een geschiedenis op zich. Onvoorstelbaar, wat een leed.’ In hetzelfde jaar, na Steenbloks afzetting als docent van de Theologische School, na een leerstellig conflict over diens onderwijs, scheurden de Gereformeerde gemeenten. Mallan volgde zijn voormalige docent naar de Gereformeerde Gemeenten in Nederland (GGN), samen met zijn gemeente in Bruinisse. In 1960 aanvaardde Mallan een beroep naar Veenendaal. Vier jaar later werd hij, naast zijn predikantschap, docent aan de theologische opleiding van de GGN. Inmiddels bekleedde hij ook het hoofdredacteurschap van het kerkblad De wachter Sions.

Toen Steenblok in 1966 overleed, werd Mallan de nieuwe voorman van de GGN. Meer dan Steenblok, een in de gereformeerde scholastiek doorknede academicus, was Mallan een aansprekende en samenbindende figuur. Hij kon echter niet verhinderen dat ook de GGN scheurde: in 1980 ontstonden de Gereformeerde Gemeenten in Nederland (buiten verband). Mallan, die vele boeken schreef, ging in 1996 met emeritaat, maar bleef daarna nog jaren in diensten voorgaan. Tot 2008 bleef hij als docent actief. Anno 2010 telt de GGN 21000 leden, waarvan een kwart Mallan op 14 juli de laatste eer bewees. In 2012 verschijnt zijn biografie, geschreven door John Mastenbroek: 'Israëls Wachter sluimert niet. Herinneringen van ds. F. Mallan'.


De dominee die bij leven al heilig was

Bron: Gerrit-Jan KleinJan (04/09/10)

De ultraorthodoxe dominee en oud-slager Frans Mallan werd bij leven al als een heilige gezien. Nu hij is overleden, dichten zijn volgelingen hem een plaats naast Christus toe. „Mallan is een soort Petrus geworden.”

Heiligenlevens zijn schaars, dat weet elke katholiek. Protestanten denken vaak dat heiligen een typisch rooms fenomeen zijn, maar uit die droom heeft de dissertatie van cultuurhistoricus John Exalto hen geholpen: ook de meest virulente antipapisten kennen hun heiligen. Die verschillen van de katholieke pendanten, want je kunt niet tot hen om voorspraak bij God bidden, maar ze bestaan wel. Exalto, verbonden aan de Vrije Universiteit, beschreef er in 2005 een aantal, en voegde er later aan toe dat de laatste gereformeerde heilige nog onder ons was: dominee Frans Mallan.

Deze zomer verwisselde deze voorganger uit de zeer behoudende gereformeerde gemeenten in Nederland het tijdelijke met het eeuwige. Mallan, het best te omschrijven als de rechtsbuiten van orthodox-protestants Nederland, werd al decennia lang beschouwd als living saint.

In het geloofsleven van menig gelovige uit zijn kerk vervulde hij een sleutelfunctie. Zo kreeg hij brieven van kerkgangers met daarin uitvoerige beschrijvingen van het bekeringsproces van de afzender. De vraag was dan of Mallan wilde beoordelen of de hemel (soms) dan wel de hel (meestal) in het verschiet lag.

Toen de 85-jarige op 8 juli de laatste adem uitblies, bestond er bij zijn volgelingen geen enkele twijfel over: Mallan leeft in de hemel verder – een hele prestatie in het strenge kerkverband, waar geloofd wordt dat het overgrote deel van de mensheid (inclusief kerkgangers) het hellevuur wacht. Op de uitvaartplechtigheid, zes dagen na het overlijden, werden verkeersregelaars ingezet om de menigte van vijfduizend personen over vier kerken te verdelen. Een straat werd afgezet, pendelbussen reden af en aan.

De dominee uit Alblasserdam vormt het (voorlopige) sluitstuk van een traditie die teruggaat tot de zeventiende eeuw, waarin bevindelijk-gereformeerde voormannen als een uitverkoren intermediair tussen God en mensen fungeren. Hun volgelingen zien de mannen Gods als rechtstreekse opvolgers van de oudtestamentische profeten. Ze genieten groot gezag, bekritiseerd worden ze nauwelijks.

De afgelopen twee maanden kwam een stroom berichten, verhalen en artikelen op gang in vooral reformatorische media waarin de uitzonderlijkheid van ex-slager Mallan nog eens werd benadrukt. Ook uit de rouwannonces blijkt welke status de predikant genoot. Hij heet een ’niet aflatend verdediger van de leer die naar de godzaligheid is’. In familiekring was Mallan niet alleen vader, oom of zwager maar ook dominee – welke rol daarvan het zwaarst woog, wisselde. Zo noemde een schoonzuster haar zwager Frans nooit bij zijn voornaam. Hij op zijn beurt was natuurlijk méér dan een slager, hij meldde met stelligheid dat hij in rechte lijn afstamde van de apostel Paulus.

Fred van Lieburg, historicus aan de Vrije Universiteit, heeft een bijzondere belangstelling voor de geschiedenis van het piëtisme. De hoogleraar bestudeert de donkerste variant van het calvinisme al jaren. Hij schreef er verschillende boeken over. Zelf opgegroeid in een bevindelijk milieu, kent hij de wereld niet alleen uit de theorie. Zijn moeder bijvoorbeeld zat op de lagere school slechts een klas hoger dan de latere dominee Mallan.

Hoe komt het dat de predikant, die meer dan tienduizend keer de kansel beklom in eigen kring niet als een gewone sterveling werd gezien? Van Lieburg: „Mallan wordt gezien als de ultieme bekeerde.” Een beeld dat niet zomaar ontstond, weet de historicus. „Het werd gecultiveerd, niet in de laatste plaats door de predikant zelf.” Zo vertelde Mallan het Reformatorisch Dagblad meer dan eens dat hij al als zesjarig jochie wist dat hij dominee ’moest’ worden. Spelen deed hij niet, hij las liever. Brakels ’Redelijke Godsdienst’ bijvoorbeeld, een dogmatiek uit de piëtistische traditie anno 1700 – de kleine Frans las het boek ’in de oude druk’.

Van Lieburg: „Dat zoiets op jonge leeftijd al werd gestimuleerd, valt te verklaren uit een wisselwerking tussen de eigen psychologie en de omgeving waar dit gedrag het kenmerk is van het ware geloof. Dat versterkt elkaar. De jongen ziet zich als geroepene en de omgeving bevestigt dat. Ik bedoel dat niet neerbuigend, maar het lijkt op een narcistische beleving. God bewijst zijn genade slechts aan een enkeling. Mallan belichaamde dat, met een ware, diepe bekering.”

Een correct verlopen bekeringsproces dat zich volgens de allerbevindelijkste protestanten in een vast patroon voltrekt, is cruciaal voor de geloofwaardigheid van een bekeringsverhaal. Mallan was iemand bij wie het allemaal klopte. Daarom deden twijfelende bekeerlingen een beroep op zijn expertise.

„Mallan wist zijn hele zielstoestand uit te rafelen”, zegt Anne van der Meiden. De oud-hoogleraar geldt net als Van Lieburg als kenner van het bevindelijke protestantisme. Ook hij schreef er een boek over, ’De zwartekousenkerken’. „Wie zijn ziel kan ontrafelen, heeft de grootste aanhang”, vervolgt Van der Meiden. „Het wordt gezien als bijzondere profetische gave. ‘Dat is ’n echte’, wordt dan gezegd.”

In de rouwannonces – we telden er minstens 23, waaronder een namens zes stichtingen en drie deputaatschappen – bleek al snel om welk een uitzonderlijk mens het hier ging. Volgens Van der Meiden is de mooiste aanduiding van Mallan die van een ’goed afgestorven dienaar, Mijn Vader, mijn vader, wagen Israëls en zijn ruiteren’. Precies dat mysterieuze bijbelcitaat stond boven een van de advertenties. De referentie aan de profeet Elia, die met de ’wagen Israëls’ rechtstreeks naar de hemel ging, is in deze kringen alleen weggelegd voor de grootste gelovigen.

Juist in de sterk gepolariseerde haarkloverijen zag Mallan zijn theologische gelijk. „De rol van verdediger van het ware geloof is nog zoiets waaruit zijn heiligheid blijkt”, zegt Van Lieburg. „We hebben het over een hedendaagse profeet die zichzelf in apostolische successie van protestantse oudvaders zag staan en geen tegenspraak duldde. Mallan had een obsessie voor het handhaven van de waarheid. In essentie gaat het hierom: hij dacht dat God maar een kleine kring tot zijn kinderen maakt – de happy few, om het zo te zeggen. Mallan hoorde daar bij. Op grond daarvan dacht hij te kunnen beoordelen wat goed en fout was.”

Een houding, merkt Van Lieburg fijntjes op, die heel tegenstrijdig is met het protestantse dogma dat een sterveling niet kan bemiddelen tussen God en mensen.

Anne van der Meiden denkt dat er ook een machtspolitiek aspect aan het quotum op bekeringen zit. „Ik denk dat de bekeerden de spoeling bewust dun houden. Juist die monopoliepositie maakt hen zo bijzonder. Figuren als Mallan waren en zijn zich erg bewust van die rol. Hoe groter de club wordt, hoe minder bijzonder zij zijn.” Na de dood van Mallan ging in de familiekring het verhaal van zijn verscheiden meteen vergezeld van de zinsnede ’hij heeft de dood niet gezien’, een verwijzing naar het bijbelboek Hebreeën dat bericht dat de legendarische Henoch de dood niet zag.

Dat betekende dat bij Mallan famous last words ontbraken, maar dat gaf niets: de predikant was van een andere orde dan de doorsnee sterveling. Op de rouwannonce wordt de parallel doorgevoerd; daarboven staat ’God nam hem weg’. Ook dat is een citaat over Henoch, uit het bijbelboek Genesis.

In de uitvaartplechtigheid was merkbaar op welke wijze aan Mallan heiligheid werd toegeschreven. Niet door er in die termen over te spreken, maar door twee opmerkelijke formuleringen. De eerste betrof de omschrijving van het begraven ná de rouwdienst. Men zou de overledene ’toevertrouwen aan de schoot der aarde’. Mallan had zelf in uitvaartdiensten van volgens hem onbekeerde familieleden gesproken van ’nederdalen in de groeve van vertering’.

Technisch gezien zit in die formuleringen geen verschil – de schoot der aarde verteert het stoffelijk overschot. Toch proeft de goede verstaander het verschil: hier werd een bekeerde, een man Gods naar de laatste rustplaats begeleid. Hier hing, als in de klassieke roomse heiligenlevens, geen ontbindingsreuk, maar een geur van heiligheid.

Nog veel krasser maakte de dienstdoende predikant Jochum Roos het, toen hij tijdens de uitvaart sprak over de postume rol die aan de ’vader van het kerkverband’ toekwam. Hij zou met Christus over iedere eeuwige bestemming oordelen. Is de paus nog formeel de plaatsbekleder van Christus op aarde, hier werd Mallan de scherprechter naast Christus. Een rol die Mallan, wist Roos, zonder hartzeer voor de zeer velen die hij naar de hel zou verwijzen, zal vervullen.

Een preekcitaat: „Eens zullen wij staan voor die witte troon. Dan zal vader en grootvader aan de rechterhand [van Christus] staan. () Zal dan dominee Mallan, als gerechtvaardigd zondaar, instemmen met het oordeel dat geveld zal worden?”

Van Lieburg heeft het fragment op een cassettebandje beluisterd. Hij zegt: „Op zichzelf is het een dogmatisch geijkte gedachte dat aardse banden in de hemel wegvallen. De huiveringwekkende schildering van het laatste oordeel is een retorisch middel om te waarschuwen. Kinderen raken zo’n beeld van hun zwartgeklede dominee in een wit gewaad niet meer kwijt.”

Anne van der Meiden over dezelfde passage: „De predestinatie staat hier ver boven de genade.”

Hoe dan ook, uit de passage blijkt duidelijk dat Mallan een heilige is. Van der Meiden: „Zo zullen ze het zelf nooit noemen, dat is rooms. Maar uit alles in de preek valt af te leiden dat we te maken hebben met iemand van een uitzonderlijke positie.”

Van Lieburg: „Uit de hele entourage blijkt: Mallan is nu een soort Petrusfiguur geworden. Hij was hier beneden al een ’Wachter Sions’ (titel van zijn kerkelijk weekblad, red.) maar hij is het vanaf nu ook daarboven.”


Tot zover.


Dank aan de oorspronkelijke schrijvers van deze teksten en de maker van de foto.

Bronnen: Het internet en Wikipedia.


Met een vriendelijke groet van uw Columnist.

Hennie van der Zouw.



Column 75.





.


Over de columnist

Hennie van der Zouw

Hennie van der Zouw, oud leerkracht uit het basisonderwijs en inmiddels 'pensionado' is geboren in Bolnes in de gemeente Ridderkerk en sinds 1995 inwoner van Alblasserdam. Hennie is getrouwd en vader van een zoon. Hij is geinteresseerd in computers, I.C.T., stripverhalen, sport en geschiedenis.

Hennie heeft in de laatste dertig jaar een aantal artikelen gepubliceerd in het Stripschrift, een blad met achtergrondverhalen over strips en het beeldverhaal in het algemeen.

Hennie is ook de webmaster van de websites van H.V. Anderz.

Hennie heeft, onder pseudoniem een aantal sportboeken en een eerste deel van een roman-cyclus geschreven en in eigen beheer gepubliceerd bij Brave New Books. De boeken over wielrennen, voetbal en schaatsen weerspiegelen Hennie 's interesse in sport. 

Er zijn onder zijn eigen naam ook drie bundels van zijn op alblasserdam.net gepubliceerde columns verschenen en ook heeft hij een tweedelige biografie over zijn vader geschreven. Heel trots is Hennie ook op het boek over Hein, de broer van zijn vader, waar hij naar vernoemd is.

In 2021 is de derde bundel van de columns verschenen. Columns, altijd verankert in de geschiedenis, die proberen om Alblasserdam in het grotere verband van de wereldgeschiedenis en de tijd te laten zien......

  

 

De echte Napoleon had in 1811 makkelijk even naar Alblasserdam kunnen komen. Hij was vlakbij.
26 aug
De echte Napoleon had in 1811 makkelijk even naar Alblasserdam kunnen komen. Hij was vlakbij.
Scheepswrak Smit Lloyd 102 toch nog niet gevonden: Maar wat zijn de Alblasserdamse connecties?
16 mei
Scheepswrak Smit Lloyd 102 toch nog niet gevonden: Maar wat zijn de Alblasserdamse connecties?
Heeft Keizer Napoleon Bonaparte ooit Alblasserdam bezocht?
17 feb
Heeft Keizer Napoleon Bonaparte ooit Alblasserdam bezocht?
De actuele Corona-situatie in Alblasserdam (update 28-02-2022) vanaf begin november 2021 (inclusief de Omicron variant)
24 dec
De actuele Corona-situatie in Alblasserdam (update 28-02-2022) vanaf begin november 2021 (inclusief de Omicron variant)
John F. Kennedy liet de kans liggen om Alblasserdam en Kinderdijk te bezoeken
13 okt
John F. Kennedy liet de kans liggen om Alblasserdam en Kinderdijk te bezoeken
Cookies

Deze website gebruikt noodzakelijke cookies voor een correcte werking en analytische cookies (geanonimiseerd) om de statistieken van de website bij te houden. Marketing cookies zijn nodig voor laden van externe content, zoals YouTube-video's of widgets van Sociale Media. Zie ons cookiebeleid voor meer informatie, of om je instellingen later aan te passen.